De
Zuid-Molukkers in Nederland kwamen hier in 1951 voor een tijdelijk verblijf als
gedemobiliseerd KNIL-militair. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL)
was het Nederlandse koloniale leger. Het heeft officieel bestaan van 1830 tot
1950. In tegenstelling tot de Koninklijke Landmacht die onder het Ministerie
van Oorlog viel, ressorteerde het Nederlands-Indische leger onder het
ministerie van Koloniën en bestond het leger uitsluitend uit beroepsmilitairen
(of militairen uit het Nederlandse leger, die voor een bepaalde periode bij het
leger gedetacheerd waren). Militairen die krijgsgevangen worden genomen krijgen
normaal hun salaris doorbetaald of achteraf met terugwerkende kracht
uitbetaald.
Na de oorlog
bleek dat Nederlands marinepersoneel wel maar KNIL militairen geen salaris
kregen uitbetaald over de jaren dat ze in krijgsgevangenschap hadden gezeten.
KNIL militairen werden betaald door de toenmalige Nederlands Indische regering,
marinepersoneel werd direct door Nederland betaald. De Nederlandse regering
erkent dat ze wel recht hebben op achterstallige soldij maar dat met de creatie
van de republiek Indonesië deze alle plichten van de oude Nederlands-Indische
regering heeft overgenomen. Dit zou betekenen dat Indonesië al deze oud-KNIL
militairen hun achterstallige soldij zou moeten betalen, hetgeen Indonesië
echter niet doet. Oud-KNIL militairen stellen dat Nederland moet betalen omdat
zij toen voor Nederland en niet voor Indonesië vochten, ze vochten direct na de
oorlog zelfs tegen de nieuwe republiek Indonesië.
Oud KNIL
militairen vechten tot op de dag van vandaag voor erkenning en uitbetaling van
hun achterstallige soldij. Hen was door de Nederlandse regering beloofd dat zij
hun eigen staat op de Molukken zouden kunnen stichten. Zij verbleven in kampen,
waaronder Kamp Vught en Schattenberg, onder meestal matige tot slechte
omstandigheden. Nadat zij een generatie - ruim 24 jaar - hadden gewacht op de
inlossing van de beloften van de Nederlandse regering, wisten ze al bijna zeker
dat ze in Nederland zouden blijven. De Nederlandse overheid kon de beloften
over een vrije staat niet nakomen. Hierdoor radicaliseerde een deel van de
Molukse jongeren. Een groepje onder hen besloot door middel van een treinkaping
hun eisen kracht bij te zetten.
De eerste treinkaping
bij Wijster vond plaats in december 1975 bij het dorp Wijster (Drenthe).
Op
dinsdagochtend 2 december werd om 10:07 de stoptrein Groningen-Zwolle tot
stilstand gebracht tussen de weilanden. Zeven Zuid-Molukse jongeren uit
Bovensmilde hadden de trein gekaapt in hun streven naar een vrije Republiek der
Zuid-Molukken. De actie duurde 12 dagen en er vielen drie doden. Tegelijk met
de kaping bezette een andere groep Molukkers, eveneens een groep van zeven uit
Bovensmilde, het Indonesische consulaat te Amsterdam.
Na
bemiddeling door ingenieur Manusama en de weduwe van Chris Soumokil gaven de
kapers zich op 14 december over, waarbij meespeelde dat er berichten waren over
represailles op de Molukken. Bovendien was het intussen flink gaan vriezen,
waardoor het verblijf in de trein ook voor de kapers onaangenaam werd. Tijdens
hun berechting in 1976 werden ze veroordeeld tot gevangenisstraffen van
veertien jaar. Allen zaten hun straf uit, op één na: die pleegde 1978 in de gevangenis zelfmoord.
De aan de kaping parallel lopende gijzelingsactie in het
Indonesische consulaat in Amsterdam werd op 19 december beëindigd. Bij die
gijzeling was één dode gevallen. Het betrof een consulaatmedewerker die
vergeefs had geprobeerd te vluchten.
De tweede treinkaping bij De Punt begon op 23 mei 1977.
Om negen
uur 's morgens toen de intercity Assen-Groningen ter hoogte van het dorp De
Punt in de provincie Drenthe, niet ver van de spoorwegovergang te Glimmen in de
provincie Groningen, door negen gewapende Zuid-Molukse jongeren gekaapt en tot
stilstand werd gebracht. De gijzeling duurde 482 uur (20 dagen) en de
bevrijding door mariniers kostte twee gegijzelden en zes kapers het leven.
Tegelijkertijd begonnen vier Zuid-Molukkers met de gijzeling
van een lagere school in Bovensmilde waarbij 105 kinderen en 5 onderwijzers
gegijzeld werden. Met deze acties wilden ze de Nederlandse regering dwingen
zich in te zetten voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken en
bovendien eisten ze de vrijlating van 21 Zuid-Molukse gevangenen. Als voor 25
mei 14:00 uur deze eisen niet zouden worden ingewilligd zouden de trein en de
school worden opgeblazen. De Nederlandse regering liet echter weten pas over
het ultimatum te willen praten als alle kinderen zouden zijn vrijgelaten.
Zaterdagochtend 11 juni 1977, bijna drie weken na het begin
van de kaping, openden mariniers van de BBE het vuur op de trein, bijgestaan
door zes Starfighters die drie keer in groepjes van twee over de trein vlogen.
De jongste van de piloten was de latere Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten en
CDS Dick Berlijn. Bij deze
grote militaire operatie kwamen twee gegijzelden (de 19-jarige Ansje Monsjou en
de 40-jarige Rien van Baarsel) en zes kapers (naast de leider Max Papilaya ook
Hansina Uktolseja, Ronnie Lumalessil, George Matulessy, Minggus Rumahmory en
Mateus Tuny) om het leven. De overige treinreizigers werden bevrijd. De
Zuid-Molukkers in de school gaven zich zonder verzet over.
De treinkapingen bleef niet zonder gevolgen. De grootste
gevolgen lagen vooral in het sociale leven van de Molukkers en ook de
Nederlands-Indiërs. Sinds de aankomst van vluchtelingen uit Nederlands-Indië
was er een nieuwe generatie opgegroeid in Nederland waarvan de oudsten tegen
die tijd studeerden en daarbij vooral gebruikmaakten van het openbaar vervoer.
Echter door deze treinkapingen nam discriminatie jegens de gekleurde mannen en
vrouwen uit Indonesië weer toe, hetgeen zich uitte in vooral hevige discussies
waarbij het er soms emotioneel aan toe ging.
Tijdens de persconferentie na de bestorming van 11 juni
1997, zei Premier Den Uyl: "Dat
geweld nodig was om een einde te maken aan de gijzeling ervaren wij als een
nederlaag."
(Bron; Wikipedia)
Wat doet de demisionaire minster van Defensie, Joop Hillen?
Op 4 juni 2012 heeft den Nederlandsche Regeering, bij name
door de minister Hillen van Defensie aangekondigd dat de militairen die in 1977
een einde maakten aan de treinkaping bij De Punt een insigne krijgen. Er komt
ook een onderscheiding voor degenen die waren betrokken bij de bevrijding van
de gijzelaars in de basisschool in Bovensmilde. Een woordvoerder van Defensie
liet zaterdag weten dat de onderscheiding ''niet tegen een bevolkingsgroep is,
maar voor moedig optreden van militairen die een terroristische actie
beëindigden'' Dit alles is per saldo toch een flink stuk goedkoper dan al die
lui die nu nog leven hun achterstallig soldij te betalen, toch??
Beschamend en totaal overbodig. In een tijd waar onze overheid elke €uro drie keer moet bekijken, voordat 'ie wordt uitgegeven en deze hele stinkende zaak als vanzelf is overgegaan. Heeft Joop Hillen misschien een nog niet ondekte hersenbeschadiging opgelopen tijdens zijn ambstperiode?
Op Radio 1 zei de vorige Commandant der Strijdkrachten, Dick Berlijn, dat hij het betreurt dat er een insigne komt.
Ik heb eigenlijk maar een vraag, WAAROM na 35 jaar?
(Bron; Wikipedia en NU.nl)