zondag 10 juni 2012

K.N.I.L. en Zuid-Molukkers vs. den Nederlandsche Regeering.


De Zuid-Molukkers in Nederland kwamen hier in 1951 voor een tijdelijk verblijf als gedemobiliseerd KNIL-militair. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) was het Nederlandse koloniale leger. Het heeft officieel bestaan van 1830 tot 1950. In tegenstelling tot de Koninklijke Landmacht die onder het Ministerie van Oorlog viel, ressorteerde het Nederlands-Indische leger onder het ministerie van Koloniën en bestond het leger uitsluitend uit beroepsmilitairen (of militairen uit het Nederlandse leger, die voor een bepaalde periode bij het leger gedetacheerd waren). Militairen die krijgsgevangen worden genomen krijgen normaal hun salaris doorbetaald of achteraf met terugwerkende kracht uitbetaald.

Na de oorlog bleek dat Nederlands marinepersoneel wel maar KNIL militairen geen salaris kregen uitbetaald over de jaren dat ze in krijgsgevangenschap hadden gezeten. KNIL militairen werden betaald door de toenmalige Nederlands Indische regering, marinepersoneel werd direct door Nederland betaald. De Nederlandse regering erkent dat ze wel recht hebben op achterstallige soldij maar dat met de creatie van de republiek Indonesië deze alle plichten van de oude Nederlands-Indische regering heeft overgenomen. Dit zou betekenen dat Indonesië al deze oud-KNIL militairen hun achterstallige soldij zou moeten betalen, hetgeen Indonesië echter niet doet. Oud-KNIL militairen stellen dat Nederland moet betalen omdat zij toen voor Nederland en niet voor Indonesië vochten, ze vochten direct na de oorlog zelfs tegen de nieuwe republiek Indonesië.

Oud KNIL militairen vechten tot op de dag van vandaag voor erkenning en uitbetaling van hun achterstallige soldij. Hen was door de Nederlandse regering beloofd dat zij hun eigen staat op de Molukken zouden kunnen stichten. Zij verbleven in kampen, waaronder Kamp Vught en Schattenberg, onder meestal matige tot slechte omstandigheden. Nadat zij een generatie - ruim 24 jaar - hadden gewacht op de inlossing van de beloften van de Nederlandse regering, wisten ze al bijna zeker dat ze in Nederland zouden blijven. De Nederlandse overheid kon de beloften over een vrije staat niet nakomen. Hierdoor radicaliseerde een deel van de Molukse jongeren. Een groepje onder hen besloot door middel van een treinkaping hun eisen kracht bij te zetten.

De eerste treinkaping bij Wijster vond plaats in december 1975 bij het dorp Wijster (Drenthe).

Op dinsdagochtend 2 december werd om 10:07 de stoptrein Groningen-Zwolle tot stilstand gebracht tussen de weilanden. Zeven Zuid-Molukse jongeren uit Bovensmilde hadden de trein gekaapt in hun streven naar een vrije Republiek der Zuid-Molukken. De actie duurde 12 dagen en er vielen drie doden. Tegelijk met de kaping bezette een andere groep Molukkers, eveneens een groep van zeven uit Bovensmilde, het Indonesische consulaat te Amsterdam.

Na bemiddeling door ingenieur Manusama en de weduwe van Chris Soumokil gaven de kapers zich op 14 december over, waarbij meespeelde dat er berichten waren over represailles op de Molukken. Bovendien was het intussen flink gaan vriezen, waardoor het verblijf in de trein ook voor de kapers onaangenaam werd. Tijdens hun berechting in 1976 werden ze veroordeeld tot gevangenisstraffen van veertien jaar. Allen zaten hun straf uit, op één na: die pleegde 1978  in de gevangenis zelfmoord.

De aan de kaping parallel lopende gijzelingsactie in het Indonesische consulaat in Amsterdam werd op 19 december beëindigd. Bij die gijzeling was één dode gevallen. Het betrof een consulaatmedewerker die vergeefs had geprobeerd te vluchten.
De tweede treinkaping bij De Punt begon op 23 mei 1977.
Om negen uur 's morgens toen de intercity Assen-Groningen ter hoogte van het dorp De Punt in de provincie Drenthe, niet ver van de spoorwegovergang te Glimmen in de provincie Groningen, door negen gewapende Zuid-Molukse jongeren gekaapt en tot stilstand werd gebracht. De gijzeling duurde 482 uur (20 dagen) en de bevrijding door mariniers kostte twee gegijzelden en zes kapers het leven.
Tegelijkertijd begonnen vier Zuid-Molukkers met de gijzeling van een lagere school in Bovensmilde waarbij 105 kinderen en 5 onderwijzers gegijzeld werden. Met deze acties wilden ze de Nederlandse regering dwingen zich in te zetten voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken en bovendien eisten ze de vrijlating van 21 Zuid-Molukse gevangenen. Als voor 25 mei 14:00 uur deze eisen niet zouden worden ingewilligd zouden de trein en de school worden opgeblazen. De Nederlandse regering liet echter weten pas over het ultimatum te willen praten als alle kinderen zouden zijn vrijgelaten.

Zaterdagochtend 11 juni 1977, bijna drie weken na het begin van de kaping, openden mariniers van de BBE het vuur op de trein, bijgestaan door zes Starfighters die drie keer in groepjes van twee over de trein vlogen. De jongste van de piloten was de latere Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten en CDS Dick Berlijn. Bij deze grote militaire operatie kwamen twee gegijzelden (de 19-jarige Ansje Monsjou en de 40-jarige Rien van Baarsel) en zes kapers (naast de leider Max Papilaya ook Hansina Uktolseja, Ronnie Lumalessil, George Matulessy, Minggus Rumahmory en Mateus Tuny) om het leven. De overige treinreizigers werden bevrijd. De Zuid-Molukkers in de school gaven zich zonder verzet over.
De treinkapingen  bleef niet zonder gevolgen. De grootste gevolgen lagen vooral in het sociale leven van de Molukkers en ook de Nederlands-Indiërs. Sinds de aankomst van vluchtelingen uit Nederlands-Indië was er een nieuwe generatie opgegroeid in Nederland waarvan de oudsten tegen die tijd studeerden en daarbij vooral gebruikmaakten van het openbaar vervoer. Echter door deze treinkapingen nam discriminatie jegens de gekleurde mannen en vrouwen uit Indonesië weer toe, hetgeen zich uitte in vooral hevige discussies waarbij het er soms emotioneel aan toe ging.
Tijdens de persconferentie na de bestorming van 11 juni 1997, zei Premier Den Uyl: "Dat geweld nodig was om een einde te maken aan de gijzeling ervaren wij als een nederlaag."
(Bron; Wikipedia)
Wat doet de demisionaire minster van Defensie, Joop Hillen?
Op 4 juni 2012 heeft den Nederlandsche Regeering, bij name door de minister Hillen van Defensie aangekondigd dat de militairen die in 1977 een einde maakten aan de treinkaping bij De Punt een insigne krijgen. Er komt ook een onderscheiding voor degenen die waren betrokken bij de bevrijding van de gijzelaars in de basisschool in Bovensmilde. Een woordvoerder van Defensie liet zaterdag weten dat de onderscheiding ''niet tegen een bevolkingsgroep is, maar voor moedig optreden van militairen die een terroristische actie beëindigden'' Dit alles is per saldo toch een flink stuk goedkoper dan al die lui die nu nog leven hun achterstallig soldij te betalen, toch??
Beschamend en totaal overbodig. In een tijd waar onze overheid elke €uro drie keer moet bekijken, voordat 'ie wordt uitgegeven en deze hele stinkende zaak als vanzelf is overgegaan. Heeft Joop Hillen misschien een nog niet ondekte hersenbeschadiging opgelopen tijdens zijn ambstperiode?
Op Radio 1 zei de vorige Commandant der Strijdkrachten, Dick Berlijn, dat hij het betreurt dat er een insigne komt.
Ik heb eigenlijk maar een vraag, WAAROM na 35 jaar?
(Bron; Wikipedia en NU.nl)

Geen opmerkingen: